| Week 25, 2004: 14 juni - 20 juni | |
| Gezaulole | |
![]() Een wandeling door het dorp |
![]() Potten te koop |
| Op zondag
rijden wij naar het kustdorpje Gezaulole. Het ligt ten
zuiden van Dar es Salaam en we steken eerst met de pont
de havenmond over. Dan komen we in de wijk Kigamboni en
zodra je die uit rijdt, ben je meteen in een andere
wereld. De weg volgt de kust. We zijn hier eerder al
ergens een paar keer wezen zwemmen bij een strand, maar
moeten nu nog een stuk verder, over een onverharde
hobbelweg. Gezaulole ligt maar zo'n 15 kilometer van de
stad, maar het is een arm dorp met alleen wat verspreide
huizen. Veelal lemen hutten met een dak van palmbladeren.
We zien weer een erg groot verschil tussen de drukke stad
waar wij wonen en dit platteland. In Gezaulole wonen van
oorsprong mensen van het Zaramo-volk. In hun taal
betekent Gezaulole 'try and see'. Tegenwoordig
spreken ze Swahili en hun eigen taal wordt alleen nog
gebruikt door ouderen en bij bepaalde ceremonies en
rituelen. Akida neemt ons en twee Denen en een Italiaan mee op een rondwandeling door het dorp. Er hangt een gemoedelijke sfeer. Mensen liggen er lui of ziekjes voor hun huis, of ze eten er ugali (gestoomde maispap) met hun kinderen. Ze dragen soms vieze kleren met grote gaten en hebben niet al hun tanden meer. Van gedroogde en gespleten palmbladeren maken ze matten, een vrouw maakt potten en schaaltjes van de bruinrode klei. Water halen ze met emmers uit een diepe put. Verder zien we op een veld buiten de bebouwing een akkertje met rijst, eentje met cassave, eentje met tomaten, eentje met mais en eentje met zoete aardappel. Her en der lopen wat koeien, geiten en kippen rond. In de hoge palmen hangen kokosnoten. Er groeien mangobomen en een enkele sinaasappel- of cashewboom. Ook zien we een hennastruik, waarvan de gedroogde bladeren tot een groen poeder worden vermalen, dat vermengd met water de typische hennakleur geeft. Bij een van de huizen laat een man boven een vuur wat cashewnoten voor ons branden. Die komen in een soort huls van de boom en worden in de huls gebrand. Daarna mogen we de geblakerde huls zelf met een steen kapot slaan om de cashews eruit te peuteren. Akida heeft in Gezaulole een guesthouse: bij zijn huis heeft hij drie verschillende soorten banda's (hutten) laten bouwen. Bij twee ervan is het onderste deel van steen (verder alleen hout en bladeren), en daartegen is bij beide naast de ingang een Delfts tegeltje gemetseld: eentje met daarop een windmolen en eentje met een afbeelding van een Zuid-Hollandse boerderij. Aan de vorm van de banda's te zien heeft hij zich bij het ontwerpen door deze Nederlandse bouwsels laten inspireren. Hij vertelt dat hij een keer bij vrienden in Delft geweest is en dat zij hem hebben geadviseerd hoe hij de kost kan verdienen. Hij runt nu dus zijn banda's, organiseert wandelingen door het dorp en maakt ook nog muziek (zang en trom). Zo te zien gaat het Akida goed: hij is een van de weinigen in het dorp die een nieuw en degelijk huis hebben. Ook lijkt hij met zijn dorpswandelingen andere inwoners te stimuleren een handeltje te beginnen. Ze proberen gevlochten matten te verkopen of potten en schaaltjes. Wij kopen bij een pottenmaakster twee kleine schaaltjes, om eindelijk een keer de harsblokjes die we in Iringa hebben gekocht te kunnen branden. Aan het eind van de middag lopen we vanuit het dorp tussen de palmen, baobabs, cactussen en agaves door naar het strand om nog even te zwemmen. We liggen in het witte zand, tussen de krabbetjes die om ons heen uit hun holletjes te voorschijn komen. En we nemen een duik in de blauwe oceaan, in het water dat sinds de regentijd gelukkig niet zo erg warm meer is. We zouden bijna gaan denken dat je in zo'n dorp een fantastisch leven hebt. |
|
| Terug naar weekoverzicht | |