Week 26, 2004: 21 juni - 27 juni
Wildreservaat Selous
Wandelend door het reservaat
Emil geeft uitleg over sporen
Welkom
Gezelschap bij het kamperen
Met Atsje en Bart (Elskes zus en haar man) gaan we in onze eigen auto op safari. Atsje en Bart zijn drieënhalve week op vakantie in Tanzania, en de eerste week gaan we met z'n vieren op pad. Naar het wildreservaat Selous en daarna naar de Uluguru-bergen.
Een groot deel van weg van Dar es Salaam naar Selous is erg ruig. Al na een kleine 100 kilometer is er geen asfalt meer. Bij de laatste pomp, in Kibiti, vullen we voor de zekerheid behalve onze tank ook een jerrycan met diesel. En we kopen nog ergens een schep en een panga (hakmes). Daarna slaan we een smalle weg vol grillige hobbels, stenen en kuilen in, die we zo'n 100 kilometer volgen. Onze gemiddelde snelheid zakt naar 25 kilometer per uur; in 7 uur rijden we nog geen 250 kilometer. Soms stukken harde, droge hobbelweg, dan weer een dubbel spoor mul zand. Als we in het zand vast raken, worden we gelukkig gered door de four-wheel drive. Die hebben we dus niet voor niets.
Na een eerste nacht net buiten het park gaan we via de oostelijke Mtemere-gate naar binnen. Bij de gate pikken we een gids op, Emil. Selous is het grootste wildpark van Afrika, in oppervlakte groter dan Nederland. In het park is sinds kort een met een laag stenen verharde weg van de Mtemere- naar de westelijke Matambwe-gate, maar zodra je daarvan afslaat, is het meteen weer ruig. Met hulp van Emil vinden we onze weg langs baobabs, palmen, acacia's en termietenheuvels. Als we de zandbedding van een droge rivier oversteken, helpt de four-wheel drive ons weer uit de brand. In de dichter begroeide gedeeltes trekken de droge, scherpe takken van struiken en bomen krassen in de autolak. Twee dagen lang komen we niemand tegen.
Alleen een klein gedeelte van het reservaat ten noorden van de Rufiji-rivier is toegankelijk voor bezoekers. We zien er veel giraffen, olifanten, zebra's, impala's, gnoes, nijlpaarden, krokodillen... En wrattenzwijnen, buffels, mangoesten, waterbokken, bavianen, visarenden, ooievaars, neushoornvogels, slangen, schildpadden... De dieren in Selous lijken wel schuwer dan we ze in maart in Mikumi hebben gezien. Ze blijven op grotere afstand staan en rennen eerder weg. Dat komt misschien doordat er in de rest van het park gejaagd mag worden. Maar net voor we op onze kampeerplek aankomen, lopen er ineens drie vrouwtjesleeuwen vlak voor onze auto langs. Op hun dooie gemak sjokken ze voorbij. De laatste gaat zelfs nog even naast de auto in de struiken liggen, voor zij ook verder sjokt. Welkom!
We kamperen twee nachten in het reservaat. Er is niet veel: in een hokje alleen een gat als wc. We hebben voor vier dagen eten en drinkwater mee, en een paar flessen kraanwater om de handen te wassen en af te wassen. Emil loopt steeds rond met zijn geweer. Als we in het donker bij het vuur zitten, heeft hij het op zijn schoot. En zeker als we op wandelsafari gaan, gaat z'n geweer mee. Wandelen kun je alleen in Selous en Ruaha; in alle andere parken mag je de auto niet eens uit komen.
We staan met onze tenten op een heuveltje dicht bij het Tagalala-meer, het meer met de grootste krokodillendichtheid ter wereld. Als we in een motorboot over het meer varen, zien we de krokodillen overal op de kant liggen zonnebaden, soms met hun bek wijdopen. Maar als we dichterbij komen schuiven ze snel het water in. Het meer zit ook stampvol nijlpaarden die ons briesend en opspringend proberen te imponeren als we in de buurt komen. 's Nachts in de tent horen we ze grommen, knorren en loeien. En we vinden 's ochtends niet ver van de tent leeuwensporen in het zand.
Waarschijnlijk hebben we in Dar es Salaam al een lekke band, zonder dat we het weten. Als we vanaf de kampeerplek het reservaat weer uit willen rijden, ziet de achterband er zacht uit. Op een andere plek bij het meer moeten ook mensen kamperen en Emil gaat hen zoeken om te vragen of ze een pomp hebben. We hebben geluk en kunnen met een volle band in elk geval het park uit rijden. Bij de Matambwe-gate bekijkt een fundi (monteur) de band en hij vindt een spijker. Hij repareert de tubeless band (een Bridgestone Desert Dueler à $ 200) met een plakker. Maar in Kisaki, 20 kilometer verderop, is de band helemaal plat. Ze kunnen de band in het dorpje niet repareren en er zit niets anders op dan hem te verwisselen. Een plaatselijke fietsenmaker neemt de klus op zich. Hij moet wel eerst met hamer en beitel het slot van de reserveband openbreken, want we hadden eerder al geconstateerd dat we de sleutel niet hebben...
De 100 kilometer door de Uluguru-bergen rijden we met de reserveband. (Pas als we later weer terug zijn in Dar es Salaam, ontdekken we ook een lek in de andere achter-Bridgestone Desert Dueler.) De weg lijkt eerst beter dan voor Selous, maar wordt later minstens even slecht. Bovendien moeten we een paar honderd meter stijgen. Hobbelend en schuddend kruipen we over de smalle rotsige weg door het oostelijke deel van het gebergte. Wel is er sinds kort een brug gebouwd over een rivier op de route, zodat we daar niet door het water hoeven te rijden.
Buiten Selous kamperen we nog twee keer een nacht, voor we na een afsluitende bergwandeling in de buurt van Morogoro terugrijden naar Dar es Salaam. En bij de eerste kampeerplek is een watervalletje, zodat we na drie dagen eindelijk weer kunnen douchen. Eerst mogen de vrouwen onder het kletterende water en daarna de mannen. Te midden van de lokale bevolking boenen we zo het stinkende vuil, stof en zweet uit Selous van ons af. Niets zo lekker als een wilde douche na een ruige safari!
Terug naar weekoverzicht