Week 30, 2004: 19 juli - 25 juli
Nationaal Park Ruaha
Game drive
Op safari
Grote Ruaha-rivier
De levensader
Met Hans en Allina (vrienden uit Amsterdam) gaan we een week op safari, naar Nationaal Park Ruaha, iets onder het midden van het land. Eerst hebben Hans en Allina zelf de bekende wildparken in het noorden van Tanzania bezocht (zoals Serengeti en de Ngorongoro-krater). Nu gaan we met z'n vieren naar het minder bezochte Ruaha. Een dag rijden vanaf Dar es Salaam, hoewel je je er natuurlijk ook in een uur door een vliegtuigje heen kunt laten brengen, waarna je voor een paar honderd dollar per dag een kamer in een van de lodges kunt nemen. Wij houden de safari's liever iets goedkoper.
In de auto rijden we een mooie route door een afwisselend landschap: bruine heuvels met alleen struiken en sisalplantages, een droge vallei waar de talloze grijze baobabs hun grillige takken de blauwe lucht in steken, een stuk met groene bergen rond een meanderende rivier, en tot slot een hoogvlakte met afgeronde rotsen tijdens het laatste stuk naar Iringa. Op veel plekken langs de route staan huizen met rode kruizen: ze zijn te dicht langs de weg gebouwd en zullen waarschijnlijk moeten worden afgebroken.
Het grootste deel van de ruim 600 kilometer van Dar es Salaam naar Ruaha is bedekt met asfalt, maar het blijft een lange rit. Daarom kamperen we eerst een nacht vlak voor Iringa (zie kaart). De laatste 100 kilometer vanaf Iringa leggen we de volgende ochtend af. Dan is de weg onverhard. Maar hij is veel beter dan we na onze ervaringen bij de safari naar Selous hadden verwacht. Er zitten niet veel kuilen in en daardoor kunnen we goed doorrijden. Ook hebben we nergens de four-wheel drive nodig.
Ruaha zelf heeft ook een mooi landschap: de gele heuvels met struiken, acacia's hier en daar een eeuwenoude baobab liggen ingeklemd tussen bergruggen en droge zandrivieren. Twee nachten staan we in onze tenten op een mooie plek langs de Grote Ruaha-rivier, de levensader van het park. We kunnen weer twee dagen lang niet douchen en schuiven dus telkens vol stof en vuil de tenten in. Er zijn geen andere kampeerders en we hebben alleen gezelschap van de door de rivier banjerende en drinkende olifanten en van de briesende nijlpaarden die af en toe uit het water komen om een wandelingetje op de wal te maken. 's Ochtends ligt er vers rondgesproeide hippopoep aan onze kant, dus 's nachts zullen ze wel rond de tenten hebben gelopen.
Vooral de eerste middag in het park zien we veel dieren, tijdens een rit langs de rivier. We zien weer volop zebra's, giraffen, olifanten, impala's... Bij de rivier stampt een enorme kudde buffels na het drinken door het stof terug het land op. Even verderop liggen trotse vrouwtjesleeuwen in de schaduw tussen de struiken, terwijl hun welpen zich in het zonnetje te goed doen aan een door hun moeders gevangen zebra. En na twee dagen kunnen we weer heel wat dieren aan ons lijstje toevoegen: jakhals, verschillende hertachtigen (dikdik, elandantilope, koedoe), struisvogel, neushoornvogel.
Op de weg terug naar Dar es Salaam slaan we bij Mikumi af naar het zuiden om nog twee nachten aan de voet van de groene Udzungwa-bergen door te brengen. In Nationaal Park Udzungwa maken we een mooie wandeling langs de drie Sanje-watervallen. De hellingen zijn begroeid met dicht regenwoud, met zwart-witte en rode franjeapen hoog in de bomen, waarvan de Iringa Red Colobus alleen maar in de Udzungwa-bergen voorkomen. We lopen eerst naar de hoogstgelegen waterval (70 meter) en dalen dan af langs de tweede (50 meter) en dan de grootste (200 meter). Bij de eerste en de derde waterval zwemmen we in de koele bassins onder aan het kletterende water. Als afsluiting lopen we als echte Nederlanders nog even langs de kleinere Prins Bernhard-waterval. De toenmalige directeur van het Wereld Natuur Fonds kreeg zijn eigen waterval in 1992, toen hij het Nationaal Park opende.
Op de terugweg hebben we de laatste dag als afsluiting nog een klapband. Een van de achterbanden ziet er 's ochtends bij ons vertrek zacht uit (door een nieuw lek of een van de oude lekken) en daarom pompen we hem op. Maar we rijden er waarschijnlijk te lang mee door, want na een paar uur gaat hij aan flarden. En als we de reserveband er weer op zetten, zien we dat die het einde van onze safari naar Selous (met de ruige weg door de Uluguru-bergen) ook niet helemaal ongeschonden heeft doorstaan. De reserveband heeft een losse 'schub', waaronder de stalen bewapening zichtbaar is. Niet al te hard rijdend leggen we de laatste 100 kilometer naar DSM af. Veilig komen we weer thuis.
Terug naar weekoverzicht