(vervolg)
We hebben nog wat tijd over en een man neemt ons mee
het dorp uit, verder de steile helling op. We klimmen met
de pombe in onze benen in de hete zon een paar
honderd meter omhoog, naar het dorpje Madola, dat volgens
de reisgids zes huizen heeft, waarvan wij er maar vier
tellen. In Madola woont een bekende traditionele
genezeres. Sinds haar zesde geneest ze mensen met een
combinatie van rituelen en kruiden, en ze staat bekend om
haar voorspellingen en helderziendheid. Als we op het
kleine plateau van Madola aankomen is zij er niet, maar
iemand gaat haar zoeken. Ze zwerft elders op de helling
om wat groente te plukken.
Ze heeft een mooie grote lemen hut, helemaal rond met een
rieten puntdak, en met in het midden één ronde kamer.
Vers aangebrachte leem is nog rood, de oudere leem is
zwartgeblakerd door de rook van een vuurtje. Op het
vuurtje in de ringvormige ruimte tussen de kamer en de
buitenwand staat een pan te pruttelen. Voor het huis
liggen overal gebroken wortels, geurige takjes en stukken
schors te drogen.
Als bibi ('mevrouw' of 'oma') is gevonden,
worden wij achter in haar huis genodigd, waar we in het
donker op kleine krukjes zitten. Ze opent aan de
achterkant van de ronde kamer een gordijn en begint met
haar consult. Ze heeft lange kettingen om en kleine
gevulde zakjes aan een touwtje om haar bovenarm. Ze
rommelt wat met een grote hoorn, een halve kalebas en
allerlei schaaltjes en kommetjes. Verder doet ze niet
zoveel en het blijkt de bedoeling dat wij haar hulp
inroepen, voor ze werkelijk kan beginnen. Waarmee kan ze
ons helpen? Vertwijfeld zoeken we, gezond als we zijn,
naar een kwaal. Onno herinnert zich gelukkig een zeurend
pijntje in zijn buik, dat zich lang heeft laten gelden,
maar in Tanzania grotendeels verdwenen lijkt. In
Nederland kon de huisarts niets vinden, dus dat is een
mooie aanleiding om de hulp van bibi in te
roepen. Tanzanianen gaan vaak voor de zekerheid ook nog
even langs een mganga wa kienyeji, als ze eerst
al bij een officiële arts zijn geweest. Het zekere voor
het onzekere.
Als de vrouw Onno's klacht heeft aangehoord, weet ze
genoeg. Ze gaat meteen met haar spullen aan de slag.
Stemloos pratend maalt ze met een steen een poeder fijn
op een houten blad. Ze doet het poeder in een rieten
schaaltje en laat daarna van het poeder en wat andere
vage ingrediënten een kruidenthee zetten. In een vieze
beker krijgen we de thee aangereikt. We proeven zoethout.
Ook krijgen we een lik uit een kleine kalebas gevuld met
gekruide honing, van een stokje dat als deksel van de
kalebas dient. En tot slot volgt het echte medicijn: een
of ander droog takje, dat we thuis in een fles water
moeten doen. Van het water moeten we dan twee maanden
lang, tweemaal daags een klein beetje drinken.
Tienduizend shilling kost het takje, maar als we
tegensputteren en eerbiedig vijfduizend voor haar op de
grond leggen, is dat ook goed.
We bedanken bibi vriendelijk en ze doet ons het
dringende verzoek vooral weer langs te komen als de kwaal
niet verdwijnt. Maar we denken niet dat dat nodig is,
want we voelen ons al weer helemaal beter. Aangesterkt
door de thee, de honing en het medicijn in de broekzak,
dalen wij met onze gids snel weer af naar Nugutu. En
vanuit het gemoedelijke dorpsleven in de Luguru-dorpjes
rijden we in drie uur terug naar de hectiek van de
miljoenenstad Dar es Salaam.
|