(vervolg)
Om onze zintuigen nog meer te prikkelen, gaan we mee
met een spice tour. Een must voor wie van koken
en lekker eten houdt. We kunnen kiezen tussen twee
organisaties. Om het lot te tarten kiezen voor Mr. Mitu,
van wie in augustus een bus met - ook Nederlandse -
toeristen is overvallen. De kans lijkt ons klein dat er
nog een keer een bus van Mr. Mitu wordt beroofd. (We zijn
net als de man die zijn eigen bom het vliegtuig mee in
nam, omdat hij had uitgerekend dat de kans heel erg klein
was dat er twee bommen aan boord waren...) Vijftien
kilometer buiten Stone Town bezoeken we de plantages,
waar veel verschillende soorten fruit worden verbouwd en
bijna alles wat je maar aan specerijen kunt bedenken.
Nummer één van Zanzibar is de kruidnagel, het gedroogde
bloemknopje van de kruidnagelboom. Verder zien we
peperkorrels, gember, vanille, kardamom, nootmuskaat en
foelie (van dezelfde vrucht), kaneel, curry-blaadjes,
'all spice'-blaadjes en citroengras. In de bomen hangen
bananen, kokosnoten, kapok, nangka's (jackfruit),
doerians, broodvrucht, zuurzak, guave, pomelo's en
carambola's, ananas groeit op de grond. Cacaobonen zien
we als de pitten van een grote vrucht; koffiestruiken
zitten vol groene en rode bonen. En we proeven de
bittere, bittere blaadjes van de uit India bekende
Neem-boom. De blaadjes en ook de schors worden gebruikt
voor het maken van malariamedicijn en als natuurlijke
pesticide. In het Swahili wordt de boom mwarobaini
('veertiger') genoemd, omdat hij uitkomst biedt bij zeker
40 kwalen.
Ook bezoeken we bij de plantages een badhuis, dat de
eerste sultan van Zanzibar, Sajjid Sa'id, in 1850 voor
zijn Perzische vrouw liet bouwen. Sajjid Sa'id regeerde
van 1827 tot 1870 en de laatste sultan werd in 1964 van
de troon gestoten, waarna Zanzibar met het vasteland
Tanganyika samenging tot de republiek Tanzania. De sultans
van Zanzibar woonden altijd in Stone Town en hadden hun
paleis langs de zee, dat we later bezoeken. Het paleis is
aan het einde van de negentiende herbouwd, nadat de
Engelsen het oorspronkelijke paleis uit 1834 hadden
gebombardeerd (om ervoor te zorgen dat hun favoriete
sultan aan de macht kwam). Het huidige paleis is nodig
aan een opknapbeurt toe: op veel plekken lekt het rode
pannendak, dat niet langer bestand is tegen een hevige
tropische regenbui. Ook het originele interieur van de
eens machtige sultans maakt een armoedige indruk.
En bij elke wandeling door de straatjes in het oude
centrum komen we weer uit op Soko Muhogo. Een man met een
ketel schenkt voor 20 shilling een klein kopje koffie in
en voor nog eens 20 shilling krijgen we er soort
kokoskoekje bij, een mengsel van geraspte kokos en
suiker. In het midden van het pleintje staat één palm,
die in de hoogte tussen de omringende huizen het zonlicht
zoekt. Aan de voet van de palm zitten mannen te
dominoën. Even ontstaat er consternatie als twee
zwetende mannen een handkar met kratten frisdrank over
het pleintje duwen en daarbij iemands fiets raken. Maar
al snel keert de kalmte terug. De man naast ons drinkt
ook een kopje koffie en steek een kruidnagelsigaret op,
waarvan de geur ons aan Indonesië herinnert. Iemand op
de hoek verkoopt pinda's in zakjes van krantenpapier, een
verkoper met een grote mand achter op zijn fiets prijst
zijn kokosnoten aan. En de gek leest in zijn boek.
|