Week 47, 2004: 15 november - 21 november
Geen broeken maar doeken
Vrouwen
Dansen...
Mannen
...in het donker

De opvallendste verschijningen in Dar es Salaam (op albino-Afrikanen en wazungu (bleekneuzen) als wij na) zijn zonder twijfel de Maasai. De Maasai zijn een nomadenvolk uit het noorden, uit het grensgebied van Tanzania en Kenia, en zij proberen tegen de stroom in zo veel mogelijk vast te houden aan hun eigen cultuur. Ze spreken onderling hun eigen taal en blijven zich kleden in simpele gewaden. De mannen hebben vaak een baantje als bewaker of parkeerwacht en de vrouwen verkopen sieraden of geneeskrachtige kruiden.
De Maasai dragen in de stad sandalen die gemaakt zijn van autobanden of witte plastic sandalen die afsteken tegen hun bruine huid. De mannen zie je lopen in donkerrode, soms paarse of blauwe doeken, die ze als een soort toga hebben omgeslagen. Ze hebben grote gaten in hun oren en dragen hun (soms roodbruin geverfde) haar in lange smalle vlechten. Ter vervanging van een speer hebben ze een lange stok of een soort houten knots bij zich. De vrouwen hebben blauwe of paarse doeken die ze als lange jurken dragen, hun hoofden zijn kaalgeschoren. Hun oren hangen vol met grote oorbellen. En als ze zich voluit versieren, hebben ze brede halsbanden om die eruit zien als een soort kraag, en hele rijen armbanden rond hun onder- en bovenarmen.
In hun traditionele kleding blijven ze altijd bijzonder, in een miljoenenstad als Dar es Salaam, waar mannen in broeken lopen en vrouwen meestal in omslagdoeken of rokken, en waar mobiele telefoons en draadloos internet snel oprukken.
Vroeger leidden de Maasai een puur nomadisch bestaan. Met hun kuddes vee (vooral koeien, maar ook geiten en schapen) trokken ze voortdurend verder en ze bouwden alleen tijdelijke huizen van takken en koeienmest. Maar door het moderne leven en schaarser wordende grond worden ze steeds meer gedwongen zich op één plek te vestigen. Een voordeel daarvan is bijvoorbeeld dat de kinderen naar school kunnen. Wel zijn ze als echte nomaden inmiddels over heel Tanzania en Kenia uitgewaaierd. Overal in het binnenland kom je dorpjes tegen die voornamelijk bewoond worden door Maasai.
Ook wat hun eten betreft hebben ze water bij de wijn moet doen. Steeds vaker eten ze gewoon ugali (maispap), in plaats van het dieet waar ze bekend en berucht om zijn. Dat dieet bestaat uit vlees, melk en koeienbloed. Voor het bloed doden ze hun vee niet: ze maken alleen een snee in de halsslagader van de koe, vangen het bloed op in een kalebas en mengen dat met verse, nog warme melk.
Sinds kort zijn de Maasai in het nieuws omdat ze in Kenia land terugeisen dat van ze is afgenomen door de Engelsen. De overdracht van het land is vastgelegd in verdragen tussen de Maasai en de Engelsen uit de periode 1904-1911. De eerste van die verdragen verliezen nu na 99 jaar hun geldigheid. Ook in Tanzania is het soms onrustig, tussen Maasai en stammen die leven van de landbouw. Huizen van Maasai werden in brand gestoken na een ruzie over een huis dat volgens de Maasai zou zijn gebouwd op het pad dat zij gebruiken om hun vee naar graasgebieden te brengen. In 2000 is een soortgelijke ruzie over landgebruik uitgelopen op een bloedbad.
Laatst traden er in een restaurant in Dar es Salaam een aantal groepen op met traditionele dans. Er was ook een groep Maasai en voor de gelegenheid hadden ze hun schilden meegenomen. Ze liepen eerst in een lange rij achter elkaar aan en zongen of neurieden in de vorm van een monotoon gehum, dat deed denken aan het geluid dat Tibetaanse monniken produceren. Daarna vormden ze een kring, met aan de ene kant de mannen en aan de andere kant de vrouwen. Een voor een voerden ze hun karakteristieke solodans uit: recht op en neer springend, zo hoog mogelijk, opgejut door het gehum en gejoel van de anderen. Als een soort stuiterende poppen, een vreemd gezicht. Na afloop zag je de andere dansgroepen zich omkleden, maar de Maasai hielden de doeken die ze altijd al dragen gewoon om.
We hoorden ook het verhaal dat Maasai bang zijn voor doden. Als er vroeger een koe of een van hen was overleden, trokken ze meteen zo ver mogelijk verder. Iemand die op sterven lag, werd alvast een eind verderop in het veld gelegd. Ze verzorgden hem nog wel, maar bonden ook een touw om z'n pols. Daarmee konden ze telkens voelen of hij nog in leven was. Zodra hij was overleden, gingen ze er met hun hele hebben en houwen vandoor. De dode bleef alleen achter, als voer voor de hyena's.
En in de Rough Guide van Tanzania staat het verhaal dat wij westerlingen blij mogen zijn dat we wazungu worden genoemd, een woord uit het Swahili. De Maasai hadden hun eigen benaming voor die vreemde westerlingen, die niet in doeken maar in broeken rondliepen. Zij noemden ons in hun eigen taal iloridaa enjekat, wat verwijst naar die broeken. Het betekent: 'zij die hun scheten opsluiten'.

Terug naar weekoverzicht