De opvallendste verschijningen in Dar es
Salaam (op albino-Afrikanen en wazungu
(bleekneuzen) als wij na) zijn zonder twijfel de Maasai.
De Maasai zijn een nomadenvolk uit het noorden, uit het
grensgebied van Tanzania en Kenia, en zij proberen tegen
de stroom in zo veel mogelijk vast te houden aan hun
eigen cultuur. Ze spreken onderling hun eigen taal en
blijven zich kleden in simpele gewaden. De mannen hebben
vaak een baantje als bewaker of parkeerwacht en de
vrouwen verkopen sieraden of geneeskrachtige kruiden.
De Maasai dragen in de stad sandalen die gemaakt zijn van
autobanden of witte plastic sandalen die afsteken tegen
hun bruine huid. De mannen zie je lopen in donkerrode,
soms paarse of blauwe doeken, die ze als een soort toga
hebben omgeslagen. Ze hebben grote gaten in hun oren en
dragen hun (soms roodbruin geverfde) haar in lange smalle
vlechten. Ter vervanging van een speer hebben ze een
lange stok of een soort houten knots bij zich. De vrouwen
hebben blauwe of paarse doeken die ze als lange jurken
dragen, hun hoofden zijn kaalgeschoren. Hun oren hangen
vol met grote oorbellen. En als ze zich voluit versieren,
hebben ze brede halsbanden om die eruit zien als een
soort kraag, en hele rijen armbanden rond hun onder- en
bovenarmen.
In hun traditionele kleding blijven ze altijd bijzonder,
in een miljoenenstad als Dar es Salaam, waar mannen in
broeken lopen en vrouwen meestal in omslagdoeken of
rokken, en waar mobiele telefoons en draadloos internet
snel oprukken.
Vroeger leidden de Maasai een puur nomadisch bestaan. Met
hun kuddes vee (vooral koeien, maar ook geiten en
schapen) trokken ze voortdurend verder en ze bouwden
alleen tijdelijke huizen van takken en koeienmest. Maar
door het moderne leven en schaarser wordende grond worden
ze steeds meer gedwongen zich op één plek te vestigen.
Een voordeel daarvan is bijvoorbeeld dat de kinderen naar
school kunnen. Wel zijn ze als echte nomaden inmiddels
over heel Tanzania en Kenia uitgewaaierd. Overal in het
binnenland kom je dorpjes tegen die voornamelijk bewoond
worden door Maasai.
Ook wat hun eten betreft hebben ze water bij de wijn moet
doen. Steeds vaker eten ze gewoon ugali
(maispap), in plaats van het dieet waar ze bekend en
berucht om zijn. Dat dieet bestaat uit vlees, melk en
koeienbloed. Voor het bloed doden ze hun vee niet: ze
maken alleen een snee in de halsslagader van de koe,
vangen het bloed op in een kalebas en mengen dat met
verse, nog warme melk.
Sinds kort zijn de Maasai in het nieuws omdat ze in Kenia
land terugeisen dat van ze is afgenomen door de Engelsen.
De overdracht van het land is vastgelegd in verdragen
tussen de Maasai en de Engelsen uit de periode 1904-1911.
De eerste van die verdragen verliezen nu na 99 jaar hun
geldigheid. Ook in Tanzania is het soms onrustig, tussen
Maasai en stammen die leven van de landbouw. Huizen van
Maasai werden in brand gestoken na een ruzie over een
huis dat volgens de Maasai zou zijn gebouwd op het pad
dat zij gebruiken om hun vee naar graasgebieden te
brengen. In 2000 is een soortgelijke ruzie over
landgebruik uitgelopen op een bloedbad.
Laatst traden er in een restaurant in Dar es Salaam een
aantal groepen op met traditionele dans. Er was ook een
groep Maasai en voor de gelegenheid hadden ze hun
schilden meegenomen. Ze liepen eerst in een lange rij
achter elkaar aan en zongen of neurieden in de vorm van
een monotoon gehum, dat deed denken aan het geluid dat
Tibetaanse monniken produceren. Daarna vormden ze een
kring, met aan de ene kant de mannen en aan de andere
kant de vrouwen. Een voor een voerden ze hun
karakteristieke solodans uit: recht op en neer springend,
zo hoog mogelijk, opgejut door het gehum en gejoel van de
anderen. Als een soort stuiterende poppen, een vreemd
gezicht. Na afloop zag je de andere dansgroepen zich
omkleden, maar de Maasai hielden de doeken die ze altijd
al dragen gewoon om.
We hoorden ook het verhaal dat Maasai bang zijn voor
doden. Als er vroeger een koe of een van hen was
overleden, trokken ze meteen zo ver mogelijk verder.
Iemand die op sterven lag, werd alvast een eind verderop
in het veld gelegd. Ze verzorgden hem nog wel, maar
bonden ook een touw om z'n pols. Daarmee konden ze
telkens voelen of hij nog in leven was. Zodra hij was
overleden, gingen ze er met hun hele hebben en houwen
vandoor. De dode bleef alleen achter, als voer voor de
hyena's.
En in de Rough Guide van Tanzania staat het
verhaal dat wij westerlingen blij mogen zijn dat we wazungu
worden genoemd, een woord uit het Swahili. De Maasai
hadden hun eigen benaming voor die vreemde westerlingen,
die niet in doeken maar in broeken rondliepen. Zij
noemden ons in hun eigen taal iloridaa enjekat,
wat verwijst naar die broeken. Het betekent: 'zij die hun
scheten opsluiten'.
|