Als je in Tanzania woont, ga je ineens
boeken over Tanzania lezen. Toen we in februari in Dar es
Salaam aankwamen, wisten we beiden weinig van Tanzania.
Tanzania is met zijn verschillende bevolkingsgroepen,
tradities en drang om zich tot een welvarender land te
ontwikkelen een wonderlijk land. Het is vermakelijk om te
lezen hoe de waanzin van alledag, waar wij nu middenin
zitten, door anderen is verwerkt in hun reisverhalen en
romans. Dat werkt aanstekelijk.
Een door een Nederlander geschreven boek over Tanzania is
Darwins hofvijver (1994), waarmee Tijs
Goldschmidt in 1995 voor de AKO Literatuur Prijs
genomineerd werd. In de jaren tachtig ging hij als
bioloog naar het Victoriameer om daar de evolutie van de furu,
een soort visjes, te bestuderen. Hij schreef daarover een
kruising tussen een reisverhaal en een wetenschappelijk
verslag. Het ene moment zitten je in een verhandeling
over een speltheoretisch model voor de partnerkeuze van furu-vrouwtjes
en het andere moment lees je hoe Goldschmidt op
verdenking van spionage wordt gearresteerd als hij wat
onschuldige aantekeningen maakt op het vliegveld en pas
weer wordt vrijgelaten als hij op het politiebureau heeft
uitgelegd hoe je het best een bepaalde vis kunt roken. De
overgangen tussen de verschillende stukken zijn niet
altijd even soepel, maar het geheel vormt een boeiend
verhaal.
Reisverhalenschrijver Paul Theroux publiceerde al in 1968
een roman, die pas in 1998 in het Nederlands uitkwam met
als titel Fong en de Indiërs. Het verhaal
speelt zich niet in Tanzania af, maar in een fictief
Oost-Afrikaans land, waarin je soms Tanzania, soms Kenia
denkt te herkennen. In ieder geval wordt er Swahili
gesproken. Fong is een sullige Chinese immigrant met een
piepklein kruidenierswinkeltje, die zich angstvallig
probeert te handhaven in de Oost-Afrikaanse chaos. Een
hilarisch verhaal, waarin allerlei rariteiten tot in het
absurde worden uitvergroot. Alle Tanzanianen zijn dom,
lui en zien eruit als bavianen, alle Indiërs zijn
gewiekste handelaren die er alles aan doen over de ruggen
van de Tanzanianen zo rijk mogelijk te worden. Toch proef
je in alle gebeurtenissen de kern van waarheid, en als je
het boek leest, krijg je soms het idee dat er in 35 jaar
weinig veranderd is.
Toen we begin augustus weer even in Nederland waren, lag
er bij 'de boekhandels met *)' net een goedkope herdruk
van Ebbenhout (1998; vert. 2000) van de Poolse
journalist Ryszard Kapuscinski in de winkel. We hadden
gehoord dat dat een goed boek over Afrika moest zijn en
hebben dus meteen een exemplaar gekocht. Het is een
bundeling reportages die zich laten lezen als een
reisverhaal. Kapuscinski woonde in Afrika en reisde er
veel. In de periode 1957-1997 trok hij vooral rond door
de hitte en het stof van landen rond de evenaar, zoals
Tanzania, Ghana, Kenia, Oeganda, Ethiopië, Sudan,
Nigeria en Liberia. Overal noteerde hij zijn belevenissen
en hij mengde die met interessante analyses van de
geschiedenis, politiek en cultuur van de landen. 'Een
onontbeerlijk boek voor wie iets van Afrika wil
begrijpen.' volgens NRC Handelsblad.
Een van de nieuwste reisboeken van Paul Theroux is Dark
Star Safari (2002; vert. 2003). Hij gaat terug naar
Afrika, 40 jaar nadat hij een tijd in Oeganda en Malawi
heeft gewoond en gewerkt als docent Engels. Het boek is
een verslag van zijn reis van Cairo naar Kaapstad in
2001, vrijwel helemaal over land. Het valt Theroux niet
mee. Er is volgens hem weinig vooruitgang te bespeuren.
Integendeel: als er de laatste vier decennia al iets
veranderd is, is het er in zijn ogen alleen maar slechter
aan toe. Vooral over de situatie in Tanzania en Malawi is
hij erg negatief. En de hardnekkige aanwezigheid van
hulporganisaties in veel landen maakt volgens Theroux
alles nog erger. Doordat hij de mooie reis nog maar kort
geleden maakte, geeft het boek een goed en actueel beeld
van het (oostelijke) Afrika van nu, en van de verschillen
tussen de landen.
Aangenaam leesvoer voor de lange Nederlandse
winteravonden dus. Hier wordt het steeds heter en ook de
nachten brengen wij weer zwetend door.
|