Week 2, 2005: 10 januari - 16 januari
Nationaal Park Kilimanjaro
Nog fris
Fredrik, Irma, Elske, Gertjan
Verleidelijk
Ons doel

De taxichauffeur die ons naar het vliegveld rijdt heeft er weinig vertrouwen in dat we de top zullen halen. Hij vertelt over een andere mzungu die op de vulkaan pas nog helemaal is weggeregend. Voor het eerste beseffen we dat een beklimming van de Kilimanjaro niet alleen kan mislukken door hoogteziekte, maar ook door slecht weer. De chauffeur komt uit de streek aan de voet van de vulkaan en we vragen hem of hij die zelf ooit heeft beklommen. Nee, zegt hij, zijn grootouders aanbaden de Kilimanjaro nog als een god, en goden kun je volgens hem beter niet uitdagen.
Van de 20.000(!) mensen (= toeristen) die tegenwoordig elk jaar aan de beklimming beginnen, haalt minder dan een derde de top. De meeste mensen die voortijdig moeten afhaken, worden geveld door hoogteziekte of vallen ten prooi aan barre omstandigheden.
De 5895 meter hoge Kilimanjaro werd in 1889 voor het eerst beklommen, door een Duitser en een Oostenrijker. Onze Tanzaniaanse gids Arusha (zijn ouders hadden na de bevalling weinig inspiratie en gaven hem de naam van zijn geboorteplaats) vertelt dat de eerste klimmers het nog zonder dragers moesten doen. In die tijd durfde geen Tanzaniaan de berg op, en daarom werd alle bagage gedragen door ezels. Van die ezels overleefden maar een paar de zware tocht.
Waaraan de Kilimanjaro zijn naam te danken heeft, is onduidelijk. Kilima is Swahili voor 'heuvel', wat kleinerend bedoeld zou zijn, njaro zou afkomstig zijn uit de taal van de Maasai, waarin ngare 'rivier' betekent. 'Rivierheuvel' dus, vanwege het levensbelang van het smeltwater van de berg. Een mooiere verklaring is dat Kilimanjaro een verbastering is van Kilemakyaro, wat in een plaatselijke taal 'moeilijk te overwinnen' betekent.
Er zijn verschillende routes die naar de top leiden. De bekendste is de Marangu-route, die in vijf dagen heen en weer te lopen is. Wij doen de zesdaagse Machame-route, die ook in afstand langer is, maar ons een dag extra geeft om te acclimatiseren. Een andere belangrijk verschil is dat we op de Machame-route in tenten slapen in plaats van in hutten. Bovendien moet de gekromde Machame-route met zijn verschillende heen- en terugweg een mooiere beklimming zijn dan de Marangu-route, die vrijwel recht omhoog en omlaag loopt en op de heen- en terugweg hetzelfde is.
Samen met Gertjan en Irma, vrienden uit Amsterdam, en de Zweed Fredrik gaan we op pad. Met zijn vijven starten we aan het einde van de ochtend bij de Machame-gate op 1800 meter. Samen met gids Arusha, een hulpgids, een kok en 10-13 dragers. (Het precieze aantal wordt nooit helemaal duidelijk...) De dragers sjouwen behalve hun eigen spullen, de tenten en het eten voor zes dagen ook het grootste deel van onze spullen omhoog. Zelf hoeven we elke dag alleen maar een klein rugzakje met water, wat eten, regenkleren en handschoenen te dragen.
Het wordt een mooie tocht. De eerste dag lopen we vier uur door (steeds dunner wordend) oerwoud tot een hoogte van 3000 meter, waar we de nacht net boven de boomgrens doorbrengen. Als wij aankomen, hebben de sneller lopende dragers onze tenten al opgezet en staat de thee voor ons klaar. De tweede dag volgt een steile maar niet zo lange beklimming naar het Shira-kamp op 3800 meter. Onderweg worden de struiken steeds kleiner en minder, en het laatste deel lopen we door een koude mist tussen de rotsen en zien we de eerste plakken sneeuw. Net voor het begint te regenen komen we aan in het Shira-kamp, waar ons een koude nacht wacht, met ijs op de tenten.
Ten opzichte van de Marangu-route is de derde dag van onze Machame-route te beschouwen als een extra acclimatiseringsdag. Bij het opstaan zien we dat er rond de top verse sneeuw is gevallen. Door een kaal rotsenlandschap met alleen nog wat mos lopen we vanuit het Shira-kamp naar een punt op 4400 meter, om daarna af te dalen naar het Barranco-kamp op 3950 meter. We slapen daar dus op ongeveer dezelfde hoogte als de nacht ervoor, en hebben al even aan extremere hoogte kunnen proeven. Vanuit het kamp hebben we uitzicht op de steile Barranco-muur die voor de volgende ochtend op het programma staat.
We genieten van de tocht met zijn wisselende landschappen en uitzichten, maar met onze lichamelijk toestand is het minder goed gesteld. Sommigen hebben aan het einde van de eerste dag al hoofdpijn en leven vanaf dan op paracetamol. Ook hebben we last van misselijkheid en slapeloosheid. Iedere Kilimanjaro-beklimmer heeft in meer of mindere mate last van hoogteziekte. Lichte verschijnselen zijn behalve die hoofdpijn, slapeloosheid en misselijkheid, ook ademtekort, een licht gevoel in het hoofd en uitputting. Zwaardere verschijnselen zijn bijvoorbeeld zware hoofdpijn, duizeligheid, hallucinaties, bloed in de urine en een constante droge hoest. Long- en hersenoedeem kunnen uiteindelijk tot de dood leiden. Elk jaar overlijden er een stuk of tien klimmers op de Kilimanjaro. Arusha zegt dat er net de week voor onze beklimming een Zwitserse vrouw vlak onder de top in haar slaap is overleden. Zodra we last krijgen van een van de zwaardere verschijnselen, is het dus zaak om meteen en razendsnel af te dalen. Maar zo erg is het bij ons gelukkig nog niet.
(wordt vervolgd)

Terug naar weekoverzicht