De taxichauffeur die ons naar het vliegveld
rijdt heeft er weinig vertrouwen in dat we de top zullen
halen. Hij vertelt over een andere mzungu die op
de vulkaan pas nog helemaal is weggeregend. Voor het
eerste beseffen we dat een beklimming van de Kilimanjaro
niet alleen kan mislukken door hoogteziekte, maar ook
door slecht weer. De chauffeur komt uit de streek aan de
voet van de vulkaan en we vragen hem of hij die zelf ooit
heeft beklommen. Nee, zegt hij, zijn grootouders aanbaden
de Kilimanjaro nog als een god, en goden kun je volgens
hem beter niet uitdagen.
Van de 20.000(!) mensen (= toeristen) die tegenwoordig
elk jaar aan de beklimming beginnen, haalt minder dan een
derde de top. De meeste mensen die voortijdig moeten
afhaken, worden geveld door hoogteziekte of vallen ten
prooi aan barre omstandigheden.
De 5895 meter hoge Kilimanjaro werd in 1889 voor het
eerst beklommen, door een Duitser en een Oostenrijker.
Onze Tanzaniaanse gids Arusha (zijn ouders hadden na de
bevalling weinig inspiratie en gaven hem de naam van zijn
geboorteplaats) vertelt dat de eerste klimmers het nog
zonder dragers moesten doen. In die tijd durfde geen
Tanzaniaan de berg op, en daarom werd alle bagage
gedragen door ezels. Van die ezels overleefden maar een
paar de zware tocht.
Waaraan de Kilimanjaro zijn naam te danken heeft, is
onduidelijk. Kilima is Swahili voor 'heuvel',
wat kleinerend bedoeld zou zijn, njaro zou
afkomstig zijn uit de taal van de Maasai, waarin ngare
'rivier' betekent. 'Rivierheuvel' dus, vanwege het
levensbelang van het smeltwater van de berg. Een mooiere
verklaring is dat Kilimanjaro een verbastering is van Kilemakyaro,
wat in een plaatselijke taal 'moeilijk te overwinnen'
betekent.
Er zijn verschillende routes die naar de top leiden. De
bekendste is de Marangu-route, die in vijf dagen heen en
weer te lopen is. Wij doen de zesdaagse Machame-route,
die ook in afstand langer is, maar ons een dag extra
geeft om te acclimatiseren. Een andere belangrijk
verschil is dat we op de Machame-route in tenten slapen
in plaats van in hutten. Bovendien moet de gekromde
Machame-route met zijn verschillende heen- en terugweg
een mooiere beklimming zijn dan de Marangu-route, die
vrijwel recht omhoog en omlaag loopt en op de heen- en
terugweg hetzelfde is.
Samen met Gertjan en Irma, vrienden uit Amsterdam, en de
Zweed Fredrik gaan we op pad. Met zijn vijven starten we
aan het einde van de ochtend bij de Machame-gate op 1800
meter. Samen met gids Arusha, een hulpgids, een kok en
10-13 dragers. (Het precieze aantal wordt nooit helemaal
duidelijk...) De dragers sjouwen behalve hun eigen
spullen, de tenten en het eten voor zes dagen ook het
grootste deel van onze spullen omhoog. Zelf hoeven we
elke dag alleen maar een klein rugzakje met water, wat
eten, regenkleren en handschoenen te dragen.
Het wordt een mooie tocht. De eerste dag lopen we vier
uur door (steeds dunner wordend) oerwoud tot een hoogte
van 3000 meter, waar we de nacht net boven de boomgrens
doorbrengen. Als wij aankomen, hebben de sneller lopende
dragers onze tenten al opgezet en staat de thee voor ons
klaar. De tweede dag volgt een steile maar niet zo lange
beklimming naar het Shira-kamp op 3800 meter. Onderweg
worden de struiken steeds kleiner en minder, en het
laatste deel lopen we door een koude mist tussen de
rotsen en zien we de eerste plakken sneeuw. Net voor het
begint te regenen komen we aan in het Shira-kamp, waar
ons een koude nacht wacht, met ijs op de tenten.
Ten opzichte van de Marangu-route is de derde dag van
onze Machame-route te beschouwen als een extra
acclimatiseringsdag. Bij het opstaan zien we dat er rond
de top verse sneeuw is gevallen. Door een kaal
rotsenlandschap met alleen nog wat mos lopen we vanuit
het Shira-kamp naar een punt op 4400 meter, om daarna af
te dalen naar het Barranco-kamp op 3950 meter. We slapen
daar dus op ongeveer dezelfde hoogte als de nacht ervoor,
en hebben al even aan extremere hoogte kunnen proeven.
Vanuit het kamp hebben we uitzicht op de steile
Barranco-muur die voor de volgende ochtend op het
programma staat.
We genieten van de tocht met zijn wisselende landschappen
en uitzichten, maar met onze lichamelijk toestand is het
minder goed gesteld. Sommigen hebben aan het einde van de
eerste dag al hoofdpijn en leven vanaf dan op
paracetamol. Ook hebben we last van misselijkheid en
slapeloosheid. Iedere Kilimanjaro-beklimmer heeft in meer
of mindere mate last van hoogteziekte. Lichte
verschijnselen zijn behalve die hoofdpijn, slapeloosheid
en misselijkheid, ook ademtekort, een licht gevoel in het
hoofd en uitputting. Zwaardere verschijnselen zijn
bijvoorbeeld zware hoofdpijn, duizeligheid,
hallucinaties, bloed in de urine en een constante droge
hoest. Long- en hersenoedeem kunnen uiteindelijk tot de
dood leiden. Elk jaar overlijden er een stuk of tien
klimmers op de Kilimanjaro. Arusha zegt dat er net de
week voor onze beklimming een Zwitserse vrouw vlak onder
de top in haar slaap is overleden. Zodra we last krijgen
van een van de zwaardere verschijnselen, is het dus zaak
om meteen en razendsnel af te dalen. Maar zo erg is het
bij ons gelukkig nog niet.
(wordt vervolgd)
|