Week 4, 2005: 24 januari - 30 januari
Jambiani
In evenwicht
Naar het rif
Plastic zakken
Zelfgemaakt zeil

Als de moslimfeestdag Idd al-Haj op vrijdag blijkt te vallen en Elske daardoor een lang weekend vrij heeft, besluiten wij naar Zanzibar te gaan. We willen met de eerste boot van half acht. Maar als we niet al te snel opstaan en ons moeten haasten om een taxi naar de boot te krijgen, zien we er nergens eentje staan. Zijn alle chauffeurs en hun klanten op weg naar de moskee? We hollen van ons huis naar een grotere weg en kunnen daar gelukkig een taxi aanhouden, die ons snel naar de boot brengt.
We zijn voor niets zo vroeg opgestaan: vanwege Idd al-Haj vaart de eerste boot niet, en de volgende boot van half elf zit al vol. Iemand biedt aan ons naar het vliegveld te rijden, waar we een plek in een gecharterd vliegtuigje naar Zanzibar kunnen krijgen. Maar we geven het nog niet op, want een andere man zegt dat hij voor wat extra geld nog kaartjes voor de boot van half elf voor ons kan regelen. Tussen negen en tien is hij druk in de weer, tot hij moet toegeven dat het zelfs hem niet meer lukt kaartjes te krijgen. Zijn laatste troef is twee kaartjes van Tanzanianen opkopen, voor de dubbele prijs. Die Tanzanianen gaan dan met een latere boot. Omdat we geen zin hebben nog langer te wachten, gaan we op zijn aanbod in. We krijgen twee kaartjes waarop de oorspronkelijke namen zijn doorgekrast en veranderd in de onze. Patsers zijn we.
Even na enen komen we aan in de haven van Stone Town. Zanzibar wil zich graag onderscheiden van het vaste land en heeft sinds kort een eigen vlag. Ook sturen ze alle niet-Tanzanianen langs de douane. Wij proberen die deze keer te ontlopen, maar worden tegengehouden door een norse agent. We komen er niet onderuit: we moeten eerst een stempel in ons paspoort laten zetten, voor we verder kunnen.
We lopen in de hete zon naar de daladala-standplaats bij de markt van Stone Town. Daar kunnen we om twee uur een rit naar Jambiani krijgen. Anders dan tijdens ons vorige bezoek aan Zanzibar, toen we in Stone Town zijn gebleven en buiten de stad alleen een spice tour hebben gedaan, willen we nu naar de oostkust van het eiland. Na een vers geperst suikerrietsapje met limoen en gember vertrekken we. De daladala is een door twee Zanzibariaanse rastamannen gerunde veewagen, die in twee uur dwars over het groene eiland racet. Onderweg stoppen we een keer met pech, als de motor te heet is geworden (en een paar dagen later op de terugweg stort een van de bankjes in, als de afdichtplankjes boven een groot gat in de carrosserie verschuiven...), maar verder gaat alles vlotjes. Aan de oostkant hobbelen we nog vijf kilometer over een rotsig zandpad, langs de betoverende kustlijn.
Jambiani is een klein paradijs: een gemoedelijk dorpje, dat zich over een paar kilometer tussen de palmen langs het strand uitstrekt. Vanwege Idd al-Haj is het vier dagen feest in het dorp. Vooral de meisjes lopen er aan het einde van de middag mooi bij. In glitterjurken en zwaar opgemaakt zijn ze op weg naar het feestterrein. De helft van de uit witte koraalsteen opgetrokken huizen is bewoond, de andere helft is een (recente) ruine, wat het dorpje een eigen sfeer geeft. Koeien, geiten en eenden scharrelen tussen de huizen door en de dorpsbewoners zijn erg vriendelijk. Buiten de drukke tijden in juni, juli en augustus en twee topweken rond Kerst en Nieuwjaar, komt er vrijwel niemand. Het lijkt alsof we de hele paradijselijke palmenkust voor onszelf hebben.
We nemen twee nachten een kamer in een van de verder verlaten bungalowtjes direct aan het witte strand en brengen onze tijd lezend door. We liggen onder een afdakje van palmbladeren, op bedden van dikke takken waartussen kokostouw gespannen is. Een stevige, warme wind van zee blaast de ergste hitte weg. Er is volop fruit en we eten mango's, passiefruit, rode banaan (alleen de schil is rood). Zelf hebben we in Stone Town shokishoki (ramboetans) gekocht. Er zijn daar ook veel doerians te koop, de stinkende vruchten die we van verre ruiken en ons aan Indonesië doen denken.
De branding is in Jambiani niet bij het strand, maar bij het rif dat een paar kilometer voor de kust ligt. Tussen het strand en het rif valt het wad bij laag water droog. Vrouwen en kinderen zijn er dan druk bezig mwani (zeewier) te oogsten. Het rubberige wier leggen ze tussen hun huizen in de zon te drogen, waarna het als etenswaar naar Japan wordt geëxporteerd. Ook liggen er overal hoopjes stenen op het wad, waaronder de omhulsels van kokosnoten in het zoute water worden geweekt. Daarna worden de de omhulsels uitgeplozen tot kokosvezels, die worden gebruikt voor de handmatige productie van kokostouw.
In de turquoise zee gaan we snorkelen, in de buurt van het rif. Ondanks de stevige wind is het zeewater erg helder. We zeilen de zee op in een ngalawa, een smalle, houten zeilboot met aan beide zijden een uitlegger om de boot overeind te houden. Het zeil is gemaakt van aan elkaar genaaide stukken van grote plastic zakken. De schipper bedient het roer en het zeil, een jongen staat op een van de uitleggers, en wij glijden soepel over de verleidelijke zee.
Bij de bungalowtjes is een restaurant, maar de tweede avond eten we thuis bij een Jambianiaan die onder zijn bijnaam Mr. Mosquito door het leven gaat. Zijn vader is ziek en daarom moet hij voor het gezinsinkomen zorgen. Hij heeft als bouwvakker gewerkt, maar werd niet vrolijk van het maandsalaris van 30.000 shilling (nog geen euro per dag). En volgens hem brengt de mwani ook niets op: 50 shilling per kilo gedroogd(!) wier. Daarom probeert hij wat aan de toeristen te verdienen.
Een van Mr. Mosquito's negen zussen heeft gekookt en we eten bij het licht van een olielamp. We zitten op een mat in een soort zijhokje van hun huis. We krijgen kokosrijst, chapati's, spinazie, aardappelen en kleine, bittere auberginetjes in een gekruide tomatensaus, en voor Elske nog een vis. Ook drinken we papajawijn, zo noemt Mr. Mosquito de drank tenminste. Maar hij geeft toe dat de wijn het illegale stooksel gongo is, dat door mannen in de bush is gemaakt. Omdat het in het hokje zo warm is, slepen we de mat naar buiten en drinken we de gongo onder de sterrenhemel, die verlicht wordt door een bijna volle maan. Een mat, een fles en de maan, meer hebben we niet nodig. We laten ons de 'wijn' goed smaken en proberen te vergeten dat we de volgende dag weer terug moeten naar Dar es Salaam.

Terug naar weekoverzicht