Als de moslimfeestdag Idd al-Haj op vrijdag
blijkt te vallen en Elske daardoor een lang weekend vrij
heeft, besluiten wij naar Zanzibar te gaan. We willen met
de eerste boot van half acht. Maar als we niet al te snel
opstaan en ons moeten haasten om een taxi naar de boot te
krijgen, zien we er nergens eentje staan. Zijn alle
chauffeurs en hun klanten op weg naar de moskee? We
hollen van ons huis naar een grotere weg en kunnen daar
gelukkig een taxi aanhouden, die ons snel naar de boot
brengt.
We zijn voor niets zo vroeg opgestaan: vanwege Idd al-Haj
vaart de eerste boot niet, en de volgende boot van half
elf zit al vol. Iemand biedt aan ons naar het vliegveld
te rijden, waar we een plek in een gecharterd vliegtuigje
naar Zanzibar kunnen krijgen. Maar we geven het nog niet
op, want een andere man zegt dat hij voor wat extra geld
nog kaartjes voor de boot van half elf voor ons kan
regelen. Tussen negen en tien is hij druk in de weer, tot
hij moet toegeven dat het zelfs hem niet meer lukt
kaartjes te krijgen. Zijn laatste troef is twee kaartjes
van Tanzanianen opkopen, voor de dubbele prijs. Die
Tanzanianen gaan dan met een latere boot. Omdat we geen
zin hebben nog langer te wachten, gaan we op zijn aanbod
in. We krijgen twee kaartjes waarop de oorspronkelijke
namen zijn doorgekrast en veranderd in de onze. Patsers
zijn we.
Even na enen komen we aan in de haven van Stone Town.
Zanzibar wil zich graag onderscheiden van het vaste land
en heeft sinds kort een eigen vlag. Ook sturen ze alle
niet-Tanzanianen langs de douane. Wij proberen die deze
keer te ontlopen, maar worden tegengehouden door een
norse agent. We komen er niet onderuit: we moeten eerst
een stempel in ons paspoort laten zetten, voor we verder
kunnen.
We lopen in de hete zon naar de daladala-standplaats
bij de markt van Stone Town. Daar kunnen we om twee uur
een rit naar Jambiani krijgen. Anders dan tijdens ons
vorige bezoek aan Zanzibar, toen we in Stone Town zijn
gebleven en buiten de stad alleen een spice tour
hebben gedaan, willen we nu naar de oostkust van het
eiland. Na een vers geperst suikerrietsapje met limoen en
gember vertrekken we. De daladala is een door
twee Zanzibariaanse rastamannen gerunde veewagen, die in
twee uur dwars over het groene eiland racet. Onderweg
stoppen we een keer met pech, als de motor te heet is
geworden (en een paar dagen later op de terugweg stort
een van de bankjes in, als de afdichtplankjes boven een
groot gat in de carrosserie verschuiven...), maar verder
gaat alles vlotjes. Aan de oostkant hobbelen we nog vijf
kilometer over een rotsig zandpad, langs de betoverende
kustlijn.
Jambiani is een klein paradijs: een gemoedelijk dorpje,
dat zich over een paar kilometer tussen de palmen langs
het strand uitstrekt. Vanwege Idd al-Haj is het vier
dagen feest in het dorp. Vooral de meisjes lopen er aan
het einde van de middag mooi bij. In glitterjurken en
zwaar opgemaakt zijn ze op weg naar het feestterrein. De
helft van de uit witte koraalsteen opgetrokken huizen is
bewoond, de andere helft is een (recente) ruine, wat het
dorpje een eigen sfeer geeft. Koeien, geiten en eenden
scharrelen tussen de huizen door en de dorpsbewoners zijn
erg vriendelijk. Buiten de drukke tijden in juni, juli en
augustus en twee topweken rond Kerst en Nieuwjaar, komt
er vrijwel niemand. Het lijkt alsof we de hele
paradijselijke palmenkust voor onszelf hebben.
We nemen twee nachten een kamer in een van de verder
verlaten bungalowtjes direct aan het witte strand en
brengen onze tijd lezend door. We liggen onder een
afdakje van palmbladeren, op bedden van dikke takken
waartussen kokostouw gespannen is. Een stevige, warme
wind van zee blaast de ergste hitte weg. Er is volop
fruit en we eten mango's, passiefruit, rode banaan
(alleen de schil is rood). Zelf hebben we in Stone Town shokishoki
(ramboetans) gekocht. Er zijn daar ook veel doerians te
koop, de stinkende vruchten die we van verre ruiken en
ons aan Indonesië doen denken.
De branding is in Jambiani niet bij het strand, maar bij
het rif dat een paar kilometer voor de kust ligt. Tussen
het strand en het rif valt het wad bij laag water droog.
Vrouwen en kinderen zijn er dan druk bezig mwani
(zeewier) te oogsten. Het rubberige wier leggen ze tussen
hun huizen in de zon te drogen, waarna het als etenswaar
naar Japan wordt geëxporteerd. Ook liggen er overal
hoopjes stenen op het wad, waaronder de omhulsels van
kokosnoten in het zoute water worden geweekt. Daarna
worden de de omhulsels uitgeplozen tot kokosvezels, die
worden gebruikt voor de handmatige productie van
kokostouw.
In de turquoise zee gaan we snorkelen, in de buurt van
het rif. Ondanks de stevige wind is het zeewater erg
helder. We zeilen de zee op in een ngalawa, een
smalle, houten zeilboot met aan beide zijden een
uitlegger om de boot overeind te houden. Het zeil is
gemaakt van aan elkaar genaaide stukken van grote plastic
zakken. De schipper bedient het roer en het zeil, een
jongen staat op een van de uitleggers, en wij glijden
soepel over de verleidelijke zee.
Bij de bungalowtjes is een restaurant, maar de tweede
avond eten we thuis bij een Jambianiaan die onder zijn
bijnaam Mr. Mosquito door het leven gaat. Zijn vader is
ziek en daarom moet hij voor het gezinsinkomen zorgen.
Hij heeft als bouwvakker gewerkt, maar werd niet vrolijk
van het maandsalaris van 30.000 shilling (nog geen euro
per dag). En volgens hem brengt de mwani ook
niets op: 50 shilling per kilo gedroogd(!) wier. Daarom
probeert hij wat aan de toeristen te verdienen.
Een van Mr. Mosquito's negen zussen heeft gekookt en we
eten bij het licht van een olielamp. We zitten op een mat
in een soort zijhokje van hun huis. We krijgen
kokosrijst, chapati's, spinazie, aardappelen en kleine,
bittere auberginetjes in een gekruide tomatensaus, en
voor Elske nog een vis. Ook drinken we papajawijn, zo
noemt Mr. Mosquito de drank tenminste. Maar hij geeft toe
dat de wijn het illegale stooksel gongo is, dat
door mannen in de bush is gemaakt. Omdat het in het hokje
zo warm is, slepen we de mat naar buiten en drinken we de
gongo onder de sterrenhemel, die verlicht wordt
door een bijna volle maan. Een mat, een fles en de maan,
meer hebben we niet nodig. We laten ons de 'wijn' goed
smaken en proberen te vergeten dat we de volgende dag
weer terug moeten naar Dar es Salaam.
|