| Week 24, 2005: 13 juni - 19 juni | |
| Stad en platteland | |
![]() Bush |
![]() Dar es Salaam |
| Een van de
schrijnendste 'verschijnselen' in Tanzania is het grote
verschil tussen de stad (in het bijzonder Dar es Salaam)
en het platteland (mikoani, 'in de provincie').
Tanzania behoort tot de armste landen van de wereld, maar
als je in Dar es Salaam woont zou je dat bijna vergeten.
Zodra je de stad uit gaat, ben je meteen in een ander
Tanzania. In Dar es Salaam raken de wegen verstopt doordat steeds meer mensen een auto hebben. Westerse expats en rijke Tanzanianen wonen er in te grote villa's in de verkoelende bries van de altijd diepblauwe Indische oceaan. Er zijn luxe hotels, er is een enorme golfbaan en als je wilt kun je er voor westerse prijzen uit eten gaan. Er komen steeds meer supermarkten en winkelcentra. Alleen zal het grootste deel van de inwoners van Dar es Salaam nooit genoeg geld hebben om in de supermarkt iets te kopen. Als ze er in hun vieze, gescheurde kleren al worden binnengelaten. Want ook in Dar es Salaam zie je armoede. Mensen die van het platteland naar de stad trekken hebben eerst niets. Wie geen werk heeft, heeft geen geld. Bedelaars houden bij de kruispunten en langs de kant van de weg hun hand op. Mensen proberen een minimaal inkomen bij elkaar te sprokkelen door op straat wat dan ook te verkopen: mango's, zakjes drinkwater, gevarendriehoeken, klerenhangers, kokosnoten, rieten bezems of houtsnijwerk. En als het zo iemand lukt om op den duur betaalbare woonruimte te vinden, dan zal dat in een van de dichtbevolkte wijken zijn. Daar staan veelal illegaal gebouwde, kleine huizen met golfplaatdaken dicht op elkaar gepropt. In de hete maanden is het er niet te harden; in de regentijd veranderen de smalle wegen in modderbaden en stroomt het water de huizen binnen. Toch verkiezen veel mensen dat stadsleven boven een armoedig bestaan op het platteland. In de provincie leven veel Tanzanianen in kleine dorpen, ze wonen in lemen hutten met een dak van bladeren of gras. Alleen in grotere dorpen en kleine stadjes zijn de huizen van steen en golfplaat. Tanzania is een enorm, dunbevolkt land en het grootste deel is dan ook dorre bush. In de leegte trekken alleen wat nomaden rond met hun koeien en geiten. En in dat lege niets vind je wat verspreide hutten op de kurkdroge aarde, waar de zon de hele dag aan de hemel staat te branden. In zulke dorpjes lijken de inwoners weinig anders te doen dan rondhangen in de schaduw van hun hut of een kale baobab. Je vraagt je af hoe die mensen daar ooit kunnen leven. Afgezien van een paar geasfalteerde tweebaanswegen, die vanuit Dar es Salaam naar de uithoeken van het land en de buurlanden lopen, zijn de wegen onverhard en vaak in erg slechte toestand. In de regentijd worden die rotsige zandpaden vol kuilen onbegaanbaar. Op zich is dat voor de mensen die er wonen niet eens heel erg, want zij hebben op een enkele uitzondering na toch geen auto. Bovendien komen ze een groot deel van hun leven of zelfs hun hele leven het dorp niet uit. Het wekelijkse hobbelritje in de bak van een pick-up-truck naar de markt tien kilometer verderop doorstaan ze wel. En die ene keer dat ze een familielid in Dar es Salaam gaan bezoeken, rijden ze in grote stofwolken mee achterop een open vrachtwagen naar de dichtstbijzijnde (of gemakkelijkst te bereiken) plaats waar ze op een bus kunnen stappen. Mensen op het platteland, ver weg van alles, hebben niet veel meer dan hun hut en hun shamba (akkertje). Ze hebben geen elektriciteit, na zessen is er alleen het licht van een olielamp of een vuurtje. In het beste geval is er een centrale kraan in het dorp, zodat ze niet elke dag kilometers naar een riviertje of een bron hoeven te lopen om water te sjouwen. Mensen gaan er alleen naar de lagere school, geld voor de middelbare school hebben ze niet. Leraren zijn er ook niet. Er zijn geen televisies, geen kranten, er is geen internet. Alleen een enkeling weet een uit elkaar vallende radio te bemachtigen. Als ze malaria of cholera krijgen of gebeten worden door een dolle hond, hebben ze geen geld voor een dokter, laat staan voor het ziekenhuis. Dat is bovendien tientallen kilometers verderop, ze hebben vaak niet eens geld voor het transport ernaartoe. Mensen op het platteland hebben ook weinig te eten. Er is veel landbouw op het platteland, maar er zijn niet veel boerenbedrijven. Soms zie je eindeloze sisalplantages en hoger in de bergen heb je uitgestrekte theeplantages, maar dat zijn uitzonderingen. Meestal zie je alleen wat kleine troosteloze akkertjes rond de hutten. Mensen houden zich in leven met de opbrengst van hun lapje grond. Ze verbouwen mais, zoete aardappels, tomaten, papaja's en bananen; als er weinig water is groeien er alleen cassave en uien. Ze koken op hout(skool) en dag in dag uit eten ze ugali (mais- of cassavepap) of wali (rijst), met maharage (bruine bonen) en een paar gekookte groene blaadjes (mchicha). De stad verandert snel, op het platteland blijft alles hetzelfde. Het enige wat tegenwoordig in een hoog tempo vanuit de stad tot in de kleinste gaten en hoeken van het land uitzwermt zijn de netwerken voor mobiele telefoons. Overal tussen de dorre struiken en bomen schieten vanuit het niets stalen masten omhoog. Niet dat de mensen die er wonen daar wat aan hebben. Geld voor een telefoon en telefoonkaarten hebben ze toch niet. Maar de regeringsfunctionaris die een keertje komt rondkijken of een verdwaalde mzungu zoals wij kan dan in elk geval bellen. |
|
| Terug naar weekoverzicht | |