| Week 33, 2005: 15 augustus - 21 augustus | |
| Pemba | |
![]() Aankomst |
![]() Paraplu |
| Vraag een Tanzaniaan
op het vasteland of hij wel eens op Pemba (zie kaart) is
geweest en je krijgt als antwoord: 'Nee! Het is daar
gevaarlijk!' Pemba wordt gezien als het bolwerk van de
grootste oppositiepartij, het islamitisch georiënteerde
CUF (Civic United Front). Bij de landelijke verkiezingen
vijf jaar geleden zijn er op Pemba tientallen mensen bij
rellen overleden en zelfs bij de lokale verkiezingen in
november 2004 zijn er nog twee mensen doodgeschoten. Het
is duidelijk: Pemba, daar ga je niet voor je lol naar
toe. Toch staat de kleinere broer of zus van Zanzibar ook bekend als een paradijs. Pemba en Unguja (dat meestal Zanzibar wordt genoemd) vormen samen met tal van kleinere eilandjes de Zanzibar-archipel. In vergelijking met Zanzibar is Pemba vrijwel 'onbedorven'. Er zijn op het eiland, zelfs in het hoogseizoen, vrijwel nooit meer dan enkele tientallen toeristen te vinden. Vooral mensen die van Zanzibar een paar dagen oversteken om bij Pemba te duiken. (Elskes zus Atsje en haar man Bart hebben vorig jaar nog urenlang hand in hand in zee gedobberd, nadat de bemanning van hun boot in slaap gevallen was en zij tijdens het duiken door de sterke stroming waren afgedreven. Toen ze gered werden en weer aan land kwamen, was er aan de kust net een kamp van een natuurorganisatie vanaf zee door wild in het rond schietende piraten overvallen. Neergeschoten Engelse vrijwilligers werden meteen naar een ziekenhuis in Engeland gevlogen. Misschien is het soms toch gevaarlijk op Pemba...) Om niet een halve dag of langer op een kotsboot te hoeven zitten en eens een klein vliegtuig te proberen, vliegen we vanuit Dar es Salaam via Zanzibar naar Pemba. In een éénpropeller Cessna met plaats voor twee piloten en twaalf passagiers. Ook de stoel van de co-piloot wordt als dertiende zitplaats verkocht en op de terugweg kan Elske op die stoel meesturen. Het landschap van Pemba is heel anders dan dat van Zanzibar. In tegenstelling tot het vlakke Zanzibar is Pemba heuvelachtig. Ook is het er nog groener, terwijl Zanzibar in vergelijking met het dorre vasteland al zo groen is. Overal palmen, bananen-, mango- en papajabomen. Ook wordt er veel rijst verbouwd, dat frisgroen op de velden staat. Langs de kust groeit veel mangrove en er is, anders dan op Zanzibar, maar op een paar plaatsen een zandstrand te vinden. Van de vier dagen dat wij op Pemba zijn, regent het drie dagen. En elk van die dagen regent het zeker een paar uur lang stevig. Telkens als we denken dat het niet harder kan, komt er per seconde nóg meer water uit de donkergrijze wolken. En dat in wat gewoonlijk de droogste periode van het jaar is. Geen wonder dat Pemba zo groen is. We zitten in het 'levendigste' dorp op het eiland, Chake Chake. Het dorp maakt, net als de rest van het eiland, een armoedige indruk. Veel huizen zien er viezig en vervallen uit. Ossenkarren vol kokosnoten of hout rijden door de straten, een man rijdt op een met bananen volgeladen ezel. Overdag is er vaak geen elektriciteit, 's avonds soms ook niet. Bij aankomst vertelt onze taxichauffeur dat we met onze neus in de boter vallen. Het is een feestdag en daarom worden er stierengevechten gehouden. Met tegenzin nemen we een kijkje, gelokt door de muziek van de traditionele houten fluiten. Gelukkig gaat het op z'n Portugees: dolle jongens dansen met vodden rond de stier, en de dieren worden niet gedood. De slimste mannetjesossen trekken zich weinig van de in de regen ronddansende jongens aan en worden dan snel gewisseld voor een verse os. Pemba staat ook bekend als kruidnageleiland. Tegenwoordig komt zo'n 80 procent van de kruidnagelproductie van Zanzibar eigenlijk van Pemba. Net als eerder op Zanzibar doen we daarom, op een van de regendagen, een 'spice tour'. We zien kruidnagels, vanille, peperkorrels, kardamom, kurkuma en kaneel groeien. En nog veel meer specerijen en geneeskrachtige planten waarvan we de namen niet kennen. Ook bezoeken we een destilleerderij, waar olie wordt gehaald uit kruidnagels, zoete basilicum, citroengras en eucalyptus. (Alleen ligt de productie in die overheidsfabriek al drie maanden stil, vanwege de bouw van een nieuwe boiler. Volgens de opzichter zal de productie zeker nog een paar maanden stilliggen.) Snorkelen doen we op die ene stralende dag, bij het koraalrif van het bounty-eiland Wisali, anderhalf uur varen vanuit Wesha, aan de westkust van Pemba. Van Wesha brengt een houten boot ons naar Wisali. En het grappige is dat we de boot delen met alleen maar mensen die ook voor hun werk in Afrika zijn. Een Engelse met haar vroegwijze dochtertje van negen en een Finse met een Rwandese zakenman. De Engelse woont op Pemba en geeft er Engelse les aan Tanzaniaanse leraren. De Finse werkt voor Artsen zonder Grenzen in de Rwandese hoofdstad Kigali en heeft daar de Rwandees ontmoet. Hij is niet in het land van zijn ouders geboren en er pas kort geleden voor het eerst naartoe gegaan. Op de laatste dag, voor we weer terugvliegen naar Dar es Salaam, maken we een korte tocht door de jungle van het Ngezi-oerbos in het noordwestelijke puntje van het eiland. Voordat de kruidnagelbomen vanuit Indonesië op Pemba werden geïntroduceerd bestond 60 procent van het eiland uit zulke jungle en daarom doopten de Arabieren Pemba in de dertiende eeuw tot Jazirat al-Khadhra, 'het groene eiland'. In de stromende regen gaan we de dichte rimboe in en al snel staat het water in onze schoenen. Later moeten we een paar keer tot aan onze knieën door beekjes en plassen waden. We zien in het overweldigende groen een paar meerkatten en neushoornvogels. Na de jungletocht zit ons verblijf erop. Onderweg door de groene heuvels, tussen Chake Chake en Ngezi, zien we tussen de rijstvelden veel mooie dorpjes met lemen huizen met palmbladerdaken. En zoals te verwachten was, komen we op het hele eiland alleen maar erg vriendelijke mensen tegen. Als we dat in Dar es Salaam vertellen, zullen de Tanzanianen van het vasteland ons niet geloven. |
|
| Terug naar weekoverzicht | |