| Week 42, 2005: 17 oktober - 23 oktober | |
| In de daladala | |
![]() Op zoek naar passagiers |
![]() Wachten tot ze vol zijn |
| Waren de daladala's
(busjes) en hun routes de eerste weken in Dar es Salaam
voor ons een groot raadsel, later werden we al snel
ervaren daladala-reizigers. Een kaart met routes is er
niet. Wel hebben de busjes allemaal een gekleurde band,
waaraan je kunt zien in welke richting ze gaan. Ook staan
de begin- en eindbestemming aangegeven, evenals een
bekende straat waar hij onderweg langskomt. Maar om daar
iets aan te hebben, moet je de stad kennen. Met de daladala kom je op een snelle, handige en erg goedkope manier naar het centrum en alle uithoeken van de stad. Toch zien we zelden tot nooit andere wazungu (bleekneuzen) in de busjes. Die rijden misschien liever in hun grote four-wheel drives door de stad. Er wordt gezegd dat je in de daladala (net als overal) goed op je spullen moet passen, maar wij hebben nooit iets vervelends meegemaakt. Wel rijden de busjes vaak erg ruig en wild, omdat ze op alle mogelijke manieren (door bermen en over stoepen, links en rechts inhalend, bruut voordringend) zo snel mogelijk door het overige verkeer proberen heen te crossen. Tijd is geld. De naam daladala stamt uit het begin van de jaren tachtig, toen een ritje nog 5 shilling kostte. De vijfshillingmunt leek op een zilveren dollar (dola in het Swahili). In Kenia heten de busjes matatu, omdat je daar oorspronkelijk 3 (tatu) shilling voor een rit betaalde. De busjes worden ook wel vipanya (muizen) genoemd, omdat ze als een leger muizen door het drukke verkeer lijken te krioelen, voortdurend op zoek naar passagiers. In de kranten wordt er ook vaak over de busjes geschreven alsof ze een plaag zijn voor de stad. Alle busjes hebben een chauffeur en een bijrijder. Soms springt er tijdens een rit een andere chauffeur of bijrijder naar binnen. Zo wisselen de verschillende rijders elkaar een paar keer per dag af. De chauffeur concentreert zich op het rijden en het chaotische verkeer, de bijrijder regelt het in- en uitstappen en schuift de zijdeur open en dicht. De rijtijden van de busjes zijn onduidelijk. Ze beginnen vroeg in de ochtend en rijden soms tot diep in het donker door. Als de rijders geen zin meer hebben of geen brood meer zien in nog een rit, kappen ze ermee. Een derde daladala-beroep is dat van ronselaar. De ronselaars hebben niet echt een baan, maar houden zich overal bij drukke begin- en eindhaltes en overstapplaatsen op om wat geld te verdienen. Zij dringen zich aan een busje op en schreeuwen luid de bestemming rond. Zo proberen ze de busjes zo snel mogelijk vol te krijgen, zodat die weer snel kunnen vertrekken. Een ongeschreven regel is dat de ronselaar voor zijn werk, een volle bus, een klein bedrag (bijv. 100 shilling) van de bijrijder krijgt. Maar soms is het erg vaag of de ronselaar werkelijk iets bijdraagt aan het vullen van het busje. Dan wil de bijrijder de ronselaar niet betalen en klimt die boos de wegrijdende bus in, waarna ze samen al bekvechtend de eerste paar honderd meter afleggen. Tot de ronselaar meestal toch zijn geld ontvangt en snel weer naar buiten springt. De daladala rijdt in principe pas als hij vol is, maar als het rustig is vertrekt hij soms eerder. Als je het aantal zitplaatsen telt kom je ongeveer uit op 13: twee voorin naast de chauffeur, drie op de voorste bank, vier op de bank plus uitklapstoeltje daarachter en vier op de bank achterin. Als het busje vol is, zit je lekker op elkaar gepakt, zeker als mensen ook nog veel bagage bij zich hebben. En als de hete zon dan op het blik brandt... Daar komt bij dat er naast de zittende passagiers een willekeurig aantal extra passagiers meerijdt. Als jij denkt dat je er nog bij kunt, mag je mee; dat is ongeveer het criterium. Als het moet, passen er best 25 mensen in. Wie niet kan zitten kromt, vouwt, krult, wringt en propt zich in de laatste lege ruimtes. Je zit bij elkaar op schoot, dicht tegen elkaar gedrukt en snuift bij elkaar onder de oksels. En je hoopt dat je maar snel je bestemming mag bereiken. Wel schijnt tijdens het rijden de schuifdeur officieel dicht te moeten, maar de bijrijders tillen daar niet altijd even zwaar aan. Als het echt druk is, hang je op een voet steunend aan de buitenkant van het voortracende busje. Dat heeft één groot voordeel: frisse lucht. Het betalen in de daladala is een interessant fenomeen. De bijrijder int het geld van de passagiers en doet dat als volgt. Hij heeft in zijn hand een stapel muntjes en rammelt daarmee voor ieders neus ten teken dat hij een betaling verwacht. Het is de kunst om die zo lang mogelijk uit te stellen. Eerst doe je alsof je slaapt, in gedachten verzonken bent of te diep in je krantje bent verdiept. Je hoort dus niks en ziet de hand voor je ook niet. Als de bijrijder nog eens rammelt, soms ook wat roept en de hand nog dichter onder je neus houdt, kijk je verbaasd op, alsof je zo'n hand nog nooit hebt gezien. Dan volg je de arm, tussen de andere passagiers door, om te kijken van wie die is. En je doet extra verbaasd als je ontdekt dat die arm van de bijrijder is. Er is geen ontkomen meer aan, je moet betalen. Je slaakt een diepe zucht, alsof je het belachelijk vindt dat je voor de rit moet betalen en gaat in je zakken op zoek naar wat kleingeld. Als je dat gevonden hebt, geef je het achteloos aan de bijrijder, zonder iets te zeggen of hem aan te kijken. En je maakt hem duidelijk dat je verder niet weer gestoord wilt worden voor zoiets onzinnigs. De bijrijder bekijkt zijn geld en merkt dat hij te weinig heeft gekregen. Bozig rammelt hij nogmaals bij jou, wanbetaler, onder de neus, waarna je even omslachtig en met een diepe zucht op zoek gaat naar een tweede muntje. Ook dit geef je achteloos en zwijgend aan de bijrijder. In ruil krijg je van de bijrijder een betalingsbewijsje. Bij de volgende passagier herhaalt het toneel stuk zich en zo de hele bus door, in tal van licht afwijkende varianten. Het betalingsbewijsje is een smoezelig briefje. De bijrijder heeft het stapeltje briefjes de hele dag al in zijn zweethanden. De briefjes zijn gedrukt op de achterkant van kantoorpapier. Op de voormalige voorkant lees je dus flarden getypte tekst als 'or withdraw his Tender after the' en 'provided that written notice of the'. En onderaan het briefje staat altijd een mededeling, spreuk of groet. Soms het eenvoudige karibu tena (Kom nog eens een ritje met ons maken), soms een ingewikkeldere aanbevelingen als swali kabla hujaswaliwa (Moslims: Bid voordat je genoodzaakt wordt te bidden) of sione soo! sema naye. Die laatste mededeling is de slogan van een nationale aidsvoorlichtingscampagne Ishi (Leef!) en betekent ongeveer: Zie het niet te somber! Praat er met haar/hem over. Een stadsrit kostte jarenlang 150 shilling. Soms, als het niet zo druk was, riep de bijrijder dat je voor 100 shilling mee mocht. (Dat betaal je soms ook als je maar een klein stukje meerijdt.) Maar in mei 2004 werd de prijs van een stadsrit zonder vooraankondiging verhoogd van 150 naar 250 shilling. Een prijsstijging van 67%! Het schijnt dat de prijs al tien jaar niet meer was verhoogd. Er was dus alle reden om dat eens te doen, maar het was natuurlijk niet slim om dat zó te doen. Voor veel Tanzanianen is de daladala de enige vorm van vervoer die ze kunnen betalen. De onverwachte prijsstijging had een ware volksopstand tot gevolg. Ruzies en schreeuwpartijen tussen passagiers en bijrijders, boze ingezonden brieven in de kranten. Hoewel de busjes in principe hun eigen prijs mogen bepalen, kon de regering bij zoveel onrust niet met de handen over elkaar blijven zitten. Na een paar weken werd de verhoging dan ook van overheidswege teruggedraaid. Maanden later, toen de rust was weergekeerd, werd de prijs alsnog verhoogd, van 150 naar 200 shilling. Zonder oproer deze keer; blijkbaar was iedereen inmiddels aan het idee gewend. Als je ergens wilt uitstappen, roep je luid: shusha! Uitstappen valt vaak niet mee, vooral niet tijdens de spits. Als je er dan bij een drukke halte uit wilt, word je overrompeld door een opgewonden mensenmassa die het busje bestormt. Je moet je, zodra de deur opengaat, met je volle gewicht in de menigte storten, anders word je onder de voet gelopen. En ondertussen klimmen de slimsten al via de zijraampjes naar binnen. |
|
| Terug naar weekoverzicht | |