Week 43, 2005: 24 oktober - 30 oktober
Bijzondere bomen
Onder de baobab
Baobab-vallei
Voor ons huis
Bloemetjes en vruchtjes van de Neem
De baobab
Op ongeveer 400 kilometer van Dar es Salaam, langs de weg van Morogoro naar Iringa (zie kaart), ligt een gebied dat de Baobab-vallei wordt genoemd. Het is een dorre streek, ingeklemd tussen twee bergruggen en doorsneden door de Grote Ruaha-rivier. In die vallei staan de berghellingen en de vlakke stukken land langs de rivier, behalve met acacia's, vol met de voor Afrika karakteristieke baobabs.
De stam van de baobab kan in een eeuw een omtrek krijgen van meer dan tien meter, en de oudste exemplaren hebben soms zelfs stammen met een diameter van tien meter. In hun sponsachtige stammen houden de baobabs veel water vast (300-1000 liter), waardoor ze goed in staat zijn lange perioden van droogte te overleven. De bomen worden zo minstens 600 jaar, en waarschijnlijk kunnen ze zelfs leeftijden van 3000 tot 4000 jaar bereiken.
Met hun dikke stammen en vaak kale takken vallen de baobabs erg op in het verder kale landschap. De bast van de stammen heeft van dichtbij een paarsig bruine kleur, van veraf en met de zon erop lijken de bomen soms helemaal zilverkleurig.
Aan de opvallende vorm van de baobabs, met de takken die het grootste deel van het jaar kaal zijn en op een wortelstelsel lijken, is de legende verbonden dat de bomen vroeger de gewoonte hadden lopend op hun wortels rond te wandelen. Toen God er moe van werd en genoeg had van hun rondzwervingen, zou hij daaraan een eind gemaakt hebben door alle baobabs op de kop in de grond te steken.
De baobabs worden door Tanzanianen op zoek naar brandhout met rust gelaten. Het vochtige hout is niet erg geschikt als brandhout en bovendien geloven veel Tanzanianen dat er in de oude bomen geesten van hun voorouders leven. De baobabs hebben voor de Tanzanianen iets mystieks. Een holte in een baobab was vroeger dus een goede plek om een schat te verstoppen, want de voorouderlijke geesten zouden die vast goed bewaken. En langs de kust werden er aan beide uiteinden van het graf van belangrijke personen jonge baobabs geplant. Die groeiden samen uit tot 'één' boom, die het hele graf met zijn wortels omvatte.
Van olifanten hebben de baobabs meer te lijden dan van mensen, doordat de olifanten er hun tanden aan scherpen. In gebieden met olifanten, zoals in Nationaal Park Ruaha waar we in juli 2004 zijn geweest, hebben veel baobabs littekens op hun stammen. In tijden van droogte rijten dorstige olifanten de stammen met hun slagtanden open om het vochtige hout te kunnen eten. Ook bij ons bezoek aan Nationaal Park Tarangire in juli 2005 hebben we veel van die zwaar gehavende baobabs gezien.
Vlak voor de regentijd krijgen de baobabs hun witte bloemen, en als het regent krijgen ze groene bladeren. De baobab (in het Swahili: mbuyu) heet in het Nederlands ook wel 'apenbroodboom', omdat de vruchten worden gegeten door bijvoorbeeld bavianen en meerkatten. Maar niet alleen apen eten de vruchten. De grote, kalebasachtige vruchten zitten vol pitten, met daarom heen een witte, poederachtige substantie. Die substantie smaakt zoetzuur en kun je van de pitten afzuigen. De pitten met het poeder eromheen worden daarom als een soort snoep verkocht (ubuyu). Ze zijn dan vaak met een kleurstof rood, groen of paars gekleurd.

De neem
In onze voortuin staat een bijzondere boom: de neem-boom. Onno leerde die 'wonderboom' al kennen toen hij in 1995 voor zijn vervangende dienst in Amsterdam onderzoek deed voor de United Nations Environment Programme - Working Group on Sustainable Product Development (ja ja). Toen bekeek hij de mogelijkheden voor duurzaam gebruik van vernieuwbare materialen, variërend van hout, kokosvezel en vlas tot palmolie, natuurlijk rubber, bioplastics en kalebassen.
De neem ((Azadirachta indica A. Juss.) komt vooral veel voor in India en andere Zuid-Aziatische landen als Pakistan, Maleisië en Indonesië. Toen we eind 2003 in India op vakantie waren, poetsten we onze tanden met neem-tandpasta. Maar ook in Afrikaanse landen als Tanzania, Kenia en Nigeria groeit de neem. De Tanzanianen noemen de boom in het Swahili mwarobaini, iets wat je zou kunnen vertalen als 'veertiger'. De boom dankt die naam aan het feit dat hij voor zeker veertig verschillende toepassingen ingezet zou kunnen worden.
The Neem Foundation probeert bekendheid te geven aan de boom en zijn vele toepassingen. Op hun website is veel informatie over de neem te vinden (zie www.neemfoundation.org).
Alle delen van de boom lijken bruikbaar te zijn. Niet alleen de bladeren en de schors, maar ook de wortels, de bloemen, de vruchtjes en de zaden daarvan. Bij het gebruik van de verschillende delen van de boom gaat het vooral om toepassingen als medicijn en als natuurlijk, afbreekbaar bestrijdingsmiddel. De actieve stoffen van de neem werken vaak tegen bacterieën, schimmels en virussen en helpen zo tegen allerlei huidaandoeningen als eczeem, huiduitslag, zwerende wondjes, insectenbeten, wratten en roos. Maar bijvoorbeeld ook tegen koorts, diarree, malaria of bronchitis. Neem-olie (uit de zaden) wordt ook gebruikt in zeep, shampoo, gezichtscrème en muggenolie. Als natuurlijk bestrijdingsmiddel worden stoffen uit de neem ingezet als middel tegen schimmels en allerlei vraatzuchtige insecten.
Zoals allerlei andere geneeskrachtige en nuttige planten is de neem inzet geworden van een strijd om geld. Bedrijven proberen bepaalde toepassingen van de werkzame stoffen te patenteren en die commercieel uit te buiten. Zo hebben Amerikaanse, Japanse en Indiase bedrijven patenten op verschillende manieren om insecticiden aan de neem te onttrekken. Die bedrijven worden daarom beschuldigd van 'piraterij van volkswijsheden', omdat ze technieken patenteren die in India al eeuwenlang bekend zijn.
Totnogtoe hebben wij de geneeskrachtige boom in onze voortuin nog niet gebruikt. Je kunt bijvoorbeeld de verse bladeren koken en het verdunde, bittere aftreksel drinken tegen malaria. Misschien komt die kennis nog een keer van pas.
Terug naar weekoverzicht