J.J. Voskuil
De volkskundige Johannes Jacobus (Han) Voskuil (geb.
1 juli 1926) werd in 1963 bekend als schrijver. In dat jaar
verscheen zijn roman Bij nader inzien. Hierin beschrijft
hij de studententijd van zijn alter ego Maarten Koning en diens
vrienden in de periode 1946-1953. De karakters van de leden van
de vriendengroep in het naoorlogse studentenmilieu komen vooral
naar voren tijdens de discussies die zij met elkaar voeren over
literatuur, politiek en wetenschap. Hierbij staat het
'bewustwordingsproces' van Maarten Koning centraal. Al schrijvend
- d.w.z. bij nader inzien - ontdekte Voskuil wie hij was. Maarten
ziet zijn vrienden langzaam compromissen sluiten, of nog erger:
vermaatschappelijken, en voelt zich door hen verraden.
Pas drieëndertig jaar later kwam Voskuil met zijn
tweede roman. In het zevendelige Het Bureau (1996-2000)
over de periode 1957-1989 uit het leven van Maarten Koning. In
die jaren werkt Maart Koning als volkskundige bij het A.P.
Beerta-Instituut, het Bureau voor Volkstaal, Volkscultuur en
Volksnamen. Maarten Koning doet daar onderzoek naar de
Nederlandse volkscultuur. Hij houdt zich bezig met zaken als het
geloof in kabouters, het omgaan van de nageboorte van het paard
en het gebruik van verschillende soorten dorsvlegels. In de ogen
van Maarten Koning heeft dit werk geen status en is het in
werkelijkheid volkomen zinloos. Maar die houding wringt met zijn
in de loop van de tijd toenemende verantwoordelijkheid. Net als Bij
nader inzien is Het Bureau te lezen als 'een
persoonlijke verkenning van eigen en andermans tekort'. Met veel
aandacht voor details beschrijft Voskuil hoe Maarten Koning met
zijn collega's omgaat in de totale onzinnigheid van de
werkzaamheden op het Bureau. Minutieus legt hij de wrijvingen en
spanning tussen deze mensen bloot, die noodgedwongen de hele dag
met elkaar omgaan.